High Lights in Namibie
San (Bosjesmannen) leefden tot voor kort als nomadische verzamelaars en jagers.
Schaars gekleed en op blote voeten trokken de San rond, aanvankelijk door een groot deel van Afrika, maar uiteindelijk was er voor hen alleen nog een leefgebied over in de onherbergzame Kalahari woestijn.
De vrouwen verzamelden vruchten, noten, jonge loten en kruiden, eieren, insecten en andere eiwitrijke zaken, en ze groeven met hun graafstok naar wortels. De mannen jaagden met speer en pijl en boog op wild en gevogelte. Hun arbeidsverdeling was niet strikt, al was de jacht een mannenzaak.
Hoewel hun levenswijze primitief lijkt, waren de San meesters in de kennis van hun natuurlijke omgeving. Hun rotsschilderingen vindt men overal in zuidelijk Afrika en hun vertelkunst is werkelijk uniek. Ze verzamelden voldoende voedsel om een aantal dagen van te leven en besteedden de rest van de tijd aan babbelen, lachen, verhalen vertellen, sieraden maken en dansen.
Hun vreedzame wijze van samenleven zou de moderne mens tot voorbeeld strekken, ware het niet dat de Bushmen door deze moderne mens is opgejaagd, verdreven uit hun territorium en ten slotte “beschaafd”.
In de film “The Gods must be Crazy” worden de San afgeschilderd als bijzonder naïef, goed genoeg voor een komedie. Tegenwoordig krijgen de San een nieuwe kans, omdat zowel hun kunst als hun levenswijze worden erkend als uniek.
De Himba (of Ovahimba) is een bevolkingsgroep in het noordwesten van Namibië. Ze bevolkt een deel van de regio Kunene, het gedeelte dat bekend is onder de naam Kaokoveld ten zuiden van de Kunene-rivier. De Himba zijn nomaden en leven voornamelijk van hun vee. De Himba zijn nauw verwant aan de Ovazemba en de Herero. Hun taal Zemba is vrijwel identiek aan de Otjiherero, hetgeen de taal is van van de Herero.
Kaokoveld is een droog en onherbergzaam gebied. De Himba hebben tijdens de koloniale overheersing van Zuid-Afrika in afzondering geleefd en leven in het begin van de 21ste eeuw nog grotendeels op traditionele wijze. De Himba's zijn een nomadisch volk, ze trekken met hun koeien en geiten door land. Verder verbouwen ze maïs waar ze maïspap van maken. Het voedsel van de Himba's bestaat voornamelijk uit melk met meel er in, als er groente is eten ze dat ook. Af en toe wordt er een dier geslacht, daarvan eten ze elk onderdeel op. Koeien worden alleen geslacht bij bijzondere gelegenheden, bijvoorbeeld bij een huwelijk.
Voor de Himba is hun uiterlijke verschijning erg belangrijk, hun uiterlijk zegt iets over de plaats in de groep en de fase van hun leven. Als ze tien jaar zijn worden bij de jongens en meisje de twee voortanden in de onderkaak eruit geslagen met een stok en een steen, dit is een Himba-traditie waarvan de herkomst onduidelijk is. Meisjes dragen hun haar in twee vlechten over hun voorhoofd, in de puberteit vlechten ze hun haar in kleine staartjes die ingesmeerd worden met geitenvet en oker. Getrouwde vrouwen dragen daarbij nog een kleine kroon van geitenvel op hun hoofd. De Himba-vrouwen wassen zich nooit, ze smeren zich in met otjize, een mengsel van geitenvet, kruiden en oker. Door de oker krijgen de vrouwen de typische rode kleur, het mengsel beschermt hen tegen de zon. Ook sieraden zijn belangrijk voor de Himba's, de sieraden maken ze van schelpen, leer en koper. Het belangrijkste sieraad voor de vrouwen van de Himba is de ohumba, een schelp die aan een ketting om hun nek hangt. Zowel mannen als vrouwen dragen weinig kleding, de traditionele kleding is gemaakt van de huiden van geslachte dieren.
De Herero of Ovaherero is een bevolkingsgroep uit Namibië, waar ze een minderheid vormt. Er zijn twee grote groepen binnen de Herero te onderscheiden: de Ovaherero en de Ovambanderu. Zij kwamen in contact met Europeanen toen de Duitsers aan het einde van de 19e eeuw het woongebied van de Herero tot deel van Duits Zuidwest-Afrika verklaarden.
De Herero zijn nauw verwant aan de eveneens in Namibië wonende Himba. Beide volken zijn van oudsher herders en de talen van beide volken, Otjiherero en Zemba, zijn vrijwel identiek. Beide groepen kleedden zich vroeger op dezelfde manier, de vrouwen liepen topless en de weinige kleding die ze droegen bestond uit dierenhuiden. Toen de Duitse missionarissen het gebied wilden kerstenen, vonden ze die dracht onbeschaafd. De missionarissen bevolen de Himba’s en de Herero’s zich te kleding conform de toenmalige Europese mode die bestond uit Victoriaanse kleding. De Herero’s waren gevoelig voor de missionarissen en veranderden hun kleding, de Himba’s deden dat niet. De Hererovrouwen dragen sinds de eerste helft van de 20e eeuw Victoriaans aandoende jurken met daaronder vele onderrokken, op hun hoofd dragen de Herero’s een haaks geplaatste grote hoed.